Gevaarlijk weten. Over verbeelding en criminologie
Gepubliceerd in Justitiële verkenningen, nr. 4 (Den Haag, 2005).
Marc Schuilenburg
Misdaad en straf’ zijn onderwerp van studie in vele wetenschappen, maar in het bijzonder de criminologie. In belangrijke mate heeft de criminologie haar harde kennis over ‘misdaad en straf’ netjes en veilig geordend in theorieën, methoden en technieken van onderzoek. Maar aan de afgronden van die kennis bestaan ook andere vormen van denken. We noemen dat denken een ‘gevaarlijk weten’. Het is een weten dat ons onverwacht besluipt en overrompelt. ‘Gevaarlijk weten’ spreekt niet onze ratio aan, maar ons gevoel. Het geeft een ‘gut feeling’, zoals Amerikanen zeggen. In de film Minority Report (2002) zien we daar een fraai voorbeeld van. De film speelt zich af in het Washington D.C. van 2054. Sinds zes jaar vinden in die stad geen moorden meer plaats. De politie pakt de moordenaars al op voordat ze de misdaad hebben gepleegd. Ze maakt hiervoor gebruik van drie ‘pre-cogs’ die over de bijzondere gave beschikken dat ze toekomstige moorden kunnen zien. Geeft Minority Report daarmee niet een perfect beeld van de kern van de huidige rechtshandhaving: het voorkomen van alle risico’s die kunnen leiden tot een verstoring van de openbare orde? (1) We hoeven dan alleen maar te verwijzen naar bewakingstechnieken zoals agressiedetectoren en Computerised Face Recognition die tot doel hebben criminaliteit in de openbare ruimte te voorkomen.
Ook in literatuur, op televisie, in muziek en in videogames duikt dit ‘gevaarlijk weten’ op. Toch kijkt de criminologie zelden over de afgrond. Dit in tegenstelling tot de ‘law and literature’ stroming binnen de rechtswetenschappen. (2) Binnen de criminologie worden andere, meer kunstzinnige, inzichten al gauw als secundair afgedaan. ‘Het is maar fictie.’ Soms doet ze een beroep op bevriende wetenschappen zoals de sociologie, economie of psychologie, maar het eigenaardige denken van bijvoorbeeld de film wordt zelden op waarde geschat. In het beste geval wordt Minority Report als voorbeeld gebruikt om een theorie over ‘misdaad en straf’ te illustreren. Het behoeft dan ook weinig betoog dat wetenschappelijke disciplines de wetmatigheid vertonen zichzelf altijd van binnenuit te rationaliseren. ‘Barbarians at the Gate. Keep them out!’
Daarom dit themanummer van Justitiële verkenningen. Deze keer niet over de ‘harde kennis’ van de criminologie. Integendeel. Dit nummer gaat over de ‘illegale wetenschap’ van de literatuur, film, televisie, videogames en rapmuziek. Met een verwijzing naar Friedrich Nietzsche wordt beweerd dat zij de artsen van onze cultuur zijn. In hun diagnose stellen deze wetenschappen de betekenis en waarde van actuele gebeurtenissen vast en laten zij aspecten van ‘misdaad en straf’ zien die voor de criminologie nog onzichtbaar zijn. Niet als fan, maar als criminoloog, dan wel verhalenverteller, zijn de auteurs gevraagd om zich te verhouden tot het denken van de literatuur, film, televisie, videogames en rapmuziek. Want kunnen wij het helpen dat we het huidige veiligheidsdenken veel beter begrijpen als we naar Minority Report kijken, dan als we de laatste statistieken van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) of de Bevolkingsmonitor van de politie zien?
Grote kunstenaars zijn ook grote denkers
Veel wetenschappen zijn ‘bezeten’ van harde kennis. Daarom gaat dit nummer op zoek naar ‘gevaarlijke kennis’. De verhouding tussen beide gebieden is echter een bijzondere. Om die relatie te begrijpen is het nodig te onderkennen dat geen enkele discipline zuiver is. Niet alleen is iedere wetenschap altijd al georiënteerd op andere disciplines, in de relatie tot haar buiten verhoudt ze zich ook op een speciale manier. Alleen door haar grenzen af te bakenen, kan ze haar bijzondere positie waarmaken. ‘Wij laten iets anders zien.’ Daarom neemt dit themanummer stelling in. Het beweert dat vormen van ‘gevaarlijk weten’ ook concepten, ideeën en inzichten voortbrengen. Grote kunstenaars zijn ook grote denkers. Alleen denken schrijvers in woorden, filmmakers in beelden, musici in klanken en tonen, en gamers in actie. Op basis hiervan kunnen we stellen dat de literatuur een verhalend weten produceert, muziek een auditief weten, creëren film en televisie een beeldend weten, en computerspellen een interactief weten.
Voor auteur Herman Franke ligt de relatie tussen criminologie en literatuur nog ingewikkelder. Schrijvers zijn misdadigers. Met een verwijzing naar de Amerikaanse criminoloog Edward Sagarin vraagt Franke zich af wat criminologen van romans kunnen leren en wat zij daar met hun statistieken en steekproeven nog aan toe te voegen hebben. Hij stelt dat literaire meesterwerken criminologen ervan zouden doordringen dat niet misdadigers, maar hun misdaden inherent slecht en verachtelijk zijn. Door te spreken over moordenaars, dieven, rovers en verkrachters verwarren criminologen gedrag met identiteit en sluiten zij uit dat ook ‘goede’ mensen iemand kunnen vermoorden of dat ook ‘eerzame’ burgers zich aan fraude schuldig kunnen maken. Vandaar de kracht van de literatuur. De literatuur heeft voor Franke dus een machtskritische functie. Zonder in avant-gardistische termen te vervallen is zij in staat het dominante denkkader van de criminologie te ontregelen. Wellicht is dat ook een van de belangrijkste functies van een ‘gevaarlijk weten’.
Als een voorlopig perspectief brengen de hier behandelde vormen van ‘gevaarlijk weten’ onzichtbare aspecten in onze samenleving aan het licht waar andere vormen van weten daar niet in slagen. Inconsistenties en inconsequenties zijn niet van belang. Alleen de aanhangers van de harde kennis nemen daar nog aanstoot aan. De Japanse schrijver Haruki Murakami legt prachtig uit hoe zijn romans werken: ‘Een verhaal kan dingen uitdrukken op een niveau dat uitleg overstijgt, dingen die in een normale context niet kunnen worden verklaard. Omdat een verhaal dingen uitdrukt op een manier die verschilt van andere wijzen van uitdrukken.’ (3) Als een functie van problemen die slecht worden begrepen of slecht worden gesteld, bewijzen deze ‘wetenschappen’ hun waarde. Maar niets is zo moeilijk als problemen te onderkennen om vervolgens inzichten te bieden om die problemen te lijf te gaan. Niet alleen vragen andere problemen om andere inzichten, problemen moeten ook worden gesteld. Bovenkerk en Husken eindigen hun artikel over de culturele erfenis van de maffiabaas Don Corleone met de vraag ‘Hoeveel weten we werkelijk over de georganiseerde misdaad?’ Deze vraag volgt na een betoog over de doordringing van gangsterfilms in het werkelijke leven van kleine en grote maffiosi. Met de mondialisering van de Amerikaanse massacultuur vindt volgens Bovenkerk en Husken ook een verspreiding plaats van culturele iconen: van Coca Cola tot The Godfather, van CNN tot Goodfellas. De mondialisering van de georganiseerde criminaliteit komt dan mede tot stand door de dominantie van de populaire cultuur van de film. Als het ware vormt er zich een tussengebied of ‘twilightzone’ waarin het niet langer duidelijk is wat nog echt en wat nog imitatie is.
Geen juiste ideeën, maar juist ideeën
Het creëren van concepten is dus ook aan die andere ‘wetenschappen’ voorbehouden. Misschien is dat voor sommigen een bevrijdende gedachte. Maar leidt dat ook tot de wetenschappelijke bevrijding van die disciplines? Voor alles moeten voorkomen dat ze worden bevrijd of, en dat is misschien nog veel erger, gelegaliseerd. Dat zou ze op zijn minst hun ontregelende functie ontnemen. Is de typisch Nederlandse oplossing van gedogen misschien niet het beste voor iedereen? Want alleen door veel nachten in de paaldansclub de Bada Bing (‘Where all drinks are on the house’) door te brengen, ontdekt verhalenverteller Hoogenboom dat de criminologie vol met zwarte gaten zit. Naar aanleiding van de televisieserie The Soprano’s houdt hij een pleidooi voor story telling om, zoals hij dat uitdrukt, de doffe vrees voor al die gebeurtenissen – alles wat discontinue is, ruzieachtig, gewelddadig, strijdlustig, wanordelijk en hachelijk, kortom iedere vorm van weten die niet (mag) passen in de wetenschappelijke denk- en analyseschema’s tegemoet te treden. Aspecten als angst en stress, irrationeel gedrag, toevallige ontmoetingen en imitatiegedrag moeten de criminologie van nieuwe onderzoeksvragen voorzien. Bieden de ‘illegale wetenschappen’ dan een uitweg of reiken ze oplossingen aan voor de problemen waar de criminologie zich voor ziet gesteld? Dat kan moeilijk worden beweerd. Dan wordt verondersteld dat er oplossingen zijn voor de gestelde problemen of dat er universele waarheden bestaan die altijd en overal tevoorschijn kunnen worden gehaald. Niet voor niets constateert de Franse filosoof Michel Foucault dat ‘we ons niet moeten verbeelden dat de wereld om ons een leesbaar gelaat toont, dat wij nog slechts hoeven te ontcijferen. De wereld is geen medeplichtige van onze kennis; er is geen voortalige voorzienigheid die haar omwille van ons regelt.’ (4)
We moeten dus op zoek gaan naar nieuwe inzichten, ideeën en vragen als aanvulling op onze harde kennis over de ‘misdaad en straf’. Is het wezen van iedere wetenschap niet nieuwsgierigheid? Anders gezegd, hoe ziet de wereld van ‘misdaad en straf’ er uit? ‘What makes criminals tick?’ Alleen door een ander perspectief te schetsen of oog te hebben voor buitengewone gebeurtenissen kan de geslotenheid van het dominante denkkader van de criminologie worden open gebroken. Aan de hand van een analyse van videogames betogen Schuilenburg en De Jong in hun artikel dat de virtuele werkelijkheid uitstulpingen heeft in de ‘objectieve’ werkelijkheid. Oorlogspellen trainen spelers te functioneren in een militair ‘stadsschap’ waarin de grenzen van de interne ruimten tijdelijk en flexibel zijn. Niet alleen ontstaat bij de spelers een militaire zelfervaring, de games kondigen ook een regime van regels en straffen aan dat werkt op basis van een puntenstelsel. Als we het regime in games vertalen naar de ‘echte’ werkelijkheid, dan leidt dat tot de conclusie dat individuen niet meer worden geboren met onvervreemdbare rechten, maar dat ze die rechten in de loop van hun leven kunnen verdienen door bepaalde handelingen te verrichten of na te laten. Hoeveel levens heeft u nog?
Vanuit steeds andere perspectieven en met telkens wisselende (stijl)middelen kan de gelaagdheid van een probleem worden blootgelegd. Zo kan in de confrontatie met andere vormen van denken een kruisbestuiving ontstaan, een intermediale creativiteit, die productief werkt. Dat betekent geen beschrijving van het andere weten, maar het beoefenen van zijn denken. Als een criminoloog moet men naar de serie The Soprano’s kijken. Als een criminoloog moet men de game America’s Army spelen. Luisterend naar gangsta rap betoogt auteur Van Gemert dat het verslag van rappers van de alledaagse werkelijkheid, van criminaliteit, geweld, drugs en seks in het ghetto steeds meer tot commercieel succes is gaan leiden. Onder veel jongeren heeft gangsta rap een imago gekregen dat niet alleen tegendraads is, maar zelfs crimineel. ‘It’s good to be bad,’ schrijft Van Gemert. Respectabele beroepen zijn voor rappers niet aantrekkelijk meer. Op de vraag hoe Snoop Doggy Dog zijn toekomst ziet, antwoordt hij resoluut: ‘I wanna be a motherfuckin hustla.’ Dat het niet zomaar een muzikale ‘Umwertung aller Werte’ is, wordt geïllustreerd door het nummer Cop Killer van Ice T. Uit morele verontwaardiging weten rechtse krachten met succes de distributie van het nummer te voorkomen. Toch is gangsta rap overal. Dit resulteert in een onoverzichtelijke mengelmoes van goed en kwaad. Waarden en normen spelen verstoppertje.
Verontwaardigde reacties over loverboys gaan hand in hand met het dromen van een pimp-car.
Besluit
Vertelt de rapmuziek dan een verhaal dat de exclusiviteit van ons denken over ‘misdaad en straf’ ondergraaft? Schept de literatuur, zoals Franke stelt, ‘waarheden die vaak superieur zijn aan wetenschappelijke waarheden’? Kondigen games de komst van een andere architectuur in onze leefomgeving aan? En als dat allemaal waar zou zijn, op welke wijze kan de criminologie het denken van deze ‘illegale wetenschappen’ dan gebruiken? Hoe kan ze dat denken voor zich inzetten? Wie dit themanummer leest, zal zich uiteindelijk met die vraag geconfronteerd zien. Simpele oplossingen zijn daarvoor niet. Niet alleen kunnen concepten niet één op één worden vertaald naar andere gebieden, de criminologie moet zich ook realiseren dat door invloeden van buiten naar binnen te halen ze het risico neemt dat ze zelf verandert. Maar toch ligt hierin de uitdaging. Want door op zoek te gaan naar andere kennis over ‘misdaad en straf’ kan de criminologie worden wat elke wetenschap in het diepst van haar hart wil zijn: ‘een gevaarlijke weten’.
(1) Het is geen toeval dat in visiedocumenten van opsporingsdiensten uit verschillende landen naar ‘Minority Report’ wordt verwezen. In Nederland wordt de film genoemd in de politiestudie ‘Spelverdeler in de opsporing’ (2004) waarin het toenemende belang van de forensische opsporing voor de politie wordt beschreven.
(2) Een andere inspiratie voor dit themanummer vormt het denken van de Franse filosoof Gilles Deleuze. Onder meer in zijn filmboeken The Movement-Image (1983) en The Time-Image (1985) laat hij zien dat filosoferen het benoemen van betekenisvolle problemen is.
(3) H. Murakami, ‘Kafka na een black-out’, in: Vrij Nederland, nr. 8, 2005
(4) M. Foucault, Breekbare Vrijheid. Teksten & Interviews, Boom/Parrèsia, Amsterdam, 2004, p. 65