Beleger je belegering
Het nieuwe Arabische reveil van Dyab Abou Jahjah
Gepubliceerd in Pluche, nr. 5 (Amsterdam, 2004).
Marc Schuilenburg
De multiculturele maatschappij is een feit. Dat beweert Dyab Abou Jahjah, de charismatische voorman van de Arabisch-Europese Liga (AEL), in zijn boek 'Tussen twee werelden. De roots van een vrijheidsstrijd'. Volgens Jahjah is de nieuwe generatie van allochtonen veel mondiger en bewuster van hun identiteit als moslim dan de vorige. Integratie wordt echter nog steeds begrepen in de betekenis van uniformiteit en assimilatie. Assimilatie is voor Jahjah een vorm van etnische zuivering. Hij staat de lijn van anti-uitsluiting voor. Anders gezegd, 'diversiteit moet worden geïnstitutionaliseerd zodat de hele maatschappij zich op alle niveaus kan hervormen om zich beter aan haar geledingen aan te kunnen passen.' Het principe van identiteit vormt daarbij de kern van zijn betoog.
In 'Tussen twee werelden' vertelt Jahjah over zijn persoonlijke ontdekkingstocht die begint in het Libanese moslimdorp Hanin en die uiteindelijk leidt naar Antwerpen. In Hanin wordt hij na een tweeënvijftig dagen lange belegering geconfronteerd met de bezetting door de Israëliërs. Het is dan 1976. Jahjah is vijf jaar. Politiek speelt op jonge leeftijd al een grote rol. Hij vertelt uitgebreid van zijn bewondering voor de Egyptische president Nasser die streed voor de vrijheid en eenheid van de Arabische natie. Tijdens de Amerikaanse aanvallen op de Irakese troepen in Koeweit vertrekt Jahjah naar Europa om te gaan studeren en werken. Via Lille belandt hij in Poperinge waar hij een man spreekt die vertelt dat in België twee volken leven: 'Wij, Vlamingen, wij zijn Germaans, werken hard en zijn creatief. Dan zijn er de Walen. Zij spreken Frans, zijn Latijns, praten veel en zijn lui.' Hij verbaast zich erover dat de mensen niet reageren op zijn vriendelijkheden en voelt zich als 'iemand uit een beschaafd en 'normaal' land die in contact was gekomen wilden'. Hij komt tot het inzicht dat een maatschappij die multicultureel is haar structuur moet aanpassen aan het karakter daarvan, en niet van het omgekeerde moet uitgaan. Vanuit dit idee probeert hij een antwoord te vinden op de vraag 'hoe, enerzijds, de meerderheid zover te krijgen dat ze ideologisch kiest toe te werken naar diversiteit en die te institutionaliseren in plaats van die uit te wissen en, anderzijds, de minderheid van zichzelf en haar problemen bewust te maken en haar de benodigde kracht te verschaffen om haar bestaan in stand te houden'.
Op basis van een identiteitsbegrip die langs drie lijnen loopt – de etnische groep (kabila), het volk (shaab) en de islamitische wereldgemeenschap (oemma) – construeert Jahjah een groepsverwantschap die als uitgangspunt dient voor 'het bouwen van een Arabisch-islamitische pijler van instituties en organisaties die de gemeenschap moet voorzien van noodzakelijke diensten die ze nodig heeft om haar bestaan als gemeenschap te onderhouden'. Vanuit deze strategie van zelforganisatie zou, om de Sloveense filosoof Slavoj Zizek te parafraseren, de repressieve tolerantie van het multiculturalisme moeten worden geweerd. Maar bevindt het probleem zich niet elders? Is het probleem niet zozeer het multiculturalisme, maar haar onderliggende structuur, die van de laat-kapitalistische liberale democratie? Jahjah gaat hier slechts kort op in. De uitweg voor onze parlementaire democratie zoekt hij in het islamitische principe van de beraadslaging (shoura) waarbij om een voortdurende, actieve participatie met het volk wordt gevraagd. Dit idee van de wet van het volk is volgens Jahjah een islamitisch idee. Moslimmaatschappijen zonder democratieën kwamen ondanks en niet dankzij de islam tot stand. In het besluitvormingsproces worden raden gevormd op het niveau van wijken, steden, provincies en federale staten die statutair met elkaar en aan het nationale parlement zijn verbonden. Het Angelsaksische systeem waarin per kiesdistrict een vertegenwoordiger wordt gekozen, staat volgens Jahjah dicht bij de shoura. Daarbij is sprake van een scheiding tussen de uitvoerende en de rechterlijke macht. Opvallend genoeg spreekt hij zich niet uit voor een scheiding tussen kerk en staat. Ten aanzien van het aspect van de economie stelt hij voor deze te democratiseren volgens de leer van de islamitische economie waarbij de belangrijkste regel is dat bezit wordt bepaald door arbeid. Monopolievorming is verboden. De openbare sector is de eigenaar van de productiemiddelen. Dit systeem zouden we socialistisch kunnen noemen, ofschoon Jahjah stelt dat zijn principes al duizend jaar geleden voordat in Europa het socialistische idee werd uitgewerkt, bestonden.
'Tussen twee werelden' overtuigt in zijn kritiek op de werking van het multiculturalisme. Zolang de discussie over het multiculturalisme wordt gevoerd zonder nadrukkelijk in te gaan op zijn immanente neiging tot het opheffen van ieder verschil, blijft het debat beperkt tot culturele, religieuze en etnische aangelegenheden als het dragen van hoofddoekjes. Tot waar dit toe leidt, werd duidelijk in de verkrampte reacties op het besluit van de rooms-katholieke St. Gerardus Majella Mavo in Utrecht om Turks verplicht te stellen voor de eersteklassers. Ofschoon de wet scholen vrije ruimte biedt om zelf een vak aan te bieden, werd in de politiek afwijzend gereageerd op het voornemen van de school. Maar enkele kanttekeningen zijn op hun plaats. In de eerste plaats moet worden afgevraagd of het denken in tegenstellingen zoals meerderheid en minderheid een vruchtbare bodem biedt voor een kritisch denken. Zolang de minderheid enkel het woord krijgt van de meerderheid – de politieke partij van de AEL gaat Moslim Democratische Partij (MDP) heten – blijft zij altijd gevangen in de verborgen structuur van diezelfde meerderheid. In de tweede plaats valt op dat in de identiteitsanalyse van Jahjah geen plaats wordt ingeruimd voor de erkenning van levensstijlen. Zo zegt hij: "Ik vind heteroseksualiteit de norm en homoseksualiteit een uitzondering. Maar de AEL heeft daar geen mening over." Tenslotte raakt 'Tussen twee werelden' de kern van het daadwerkelijke probleem niet. En dat is het feit dat het huidige multiculturalisme samenvalt met, of beter gezegd de verschijningsvorm is van, onze laat-kapitalistische samenleving. Het probleem waarvoor Jahjah zich ziet gesteld, ligt eerder in de logica van het kapitaal dan in het multiculturalisme. Het kapitaal gedraagt zich multinationaal. In verschillende opzichten is het multiculturalisme daarmee de ideale ideologie van het kapitalisme. Ze werken op gelijke wijze, namelijk totaliserend in hun aanspraak. Het sociaal, politieke alternatief dat Jahjah hiervoor presenteert, een islamitische economie die is gebaseerd op de regel dat bezit wordt bepaald door arbeid, grijpt terug op vervlogen tijden en gaat niet in op het argument dat het kapitalisme nooit meer voorbij gaat. Dit laat onverlet dat de AEL een uniek fenomeen is die alleen al door de vragen die ze oproept – om de woorden van Dyab Abou Jahjah te gebruiken – het beste is dat ons nu kan overkomen.
Dyab Abou Jahjah, Tussen twee werelden. De roots van een vrijheidsstrijd, Meulenhoff/Manteau, Amsterdam/Antwerpen, 2003